fbpx

zondag 20 oktober 2019 13:19

Wat is er nodig voor jonge wielrenners om door te breken bij de profs?

Beoordeel dit item
(1 Stem)
Wat is er nodig voor jonge wielrenners om door te breken bij de profs? ©Soloviova Liudmyla Shutterstock

Jonge jongens en meiden starten met wielrennen en velen dromen ervan ooit prof te worden. Net als in de meeste andere sporten is de kans dat deze droom werkelijkheid wordt erg klein. In de junioren categorieën rijdt veel wielertalent rond, maar hoeveel van hun uiteindelijke succes is te danken aan fysiologische verschillen en hoeveel is te danken aan hun omgeving en kansen?

Een onmiskenbaar kenmerk van profwielrenners is de ‘grote motor’, renners in het profpeloton kunnen een enorm vermogen trappen in hun aerobe metabolisme met andere woorden ze hebben een enorm duurvermogen. Dit duurvermogen hebben ze door de jaren heen langzaam opgebouwd.

Verschillende ontwikkelingstrajecten van jonge wielrenners

Als je naar het huidige profpeloton kijkt dan heeft iedere renner zijn eigen ontwikkelingstraject doorgemaakt en niet bij iedere renner of renster is dit een rechte lijn naar boven geweest. Sommige talenten zoals Marianne Vos, Egan Bernal, Peter Sagan en Mathieu van der Poel zijn op jonge leeftijd niet te missen. Andere renners zoals Tom Dumoulin, Simon Yates en Steven Kruiswijk maken een langzamere ontwikkeling door.

Een wetenschappelijke studie uit 2015 geeft een goed beeld van de ontwikkeling van Thibaut Pinot van junior tot prof. Wat opvalt in deze data is de grote sprong in het aantal uren op de fiets tussen 2008 waar hij 18 jaar oud was en 2010 waar hij eerstejaars prof was. In 2008 zat Pinot zo’n 526 uur op de fiets wat ongeveer 10.1 uur per week is en in 2010 zat hij zo’n 840 uur op de fiets wat ongeveer 16.1 uur per week is. Een toename van de totale duur van 60%. Dit benadrukt dat de prestaties als junioren renner niets zeggen over je toekomst bij de profs.1

De trainbaarheid van jonge sporters

Het verschil tussen jonge sporters kan enorm zijn en hoeft geen invloed te hebben op de verdere carrière van de sporter, dit verschil wordt met name veroorzaakt door verschillen in groei en ontwikkeling. Jonge sporters van dezelfde leeftijd en met dezelfde lengte kunnen op een bepaald moment in een hele andere fase van hun groei en ontwikkeling zitten. De betere renner of renster van de twee in wedstrijden hoeft dus niet de renner of renster te zijn met het meeste talent.

Een recente studie uit 2019 heeft onderzocht wat het effect van training is op de VO2max en het totale hemoglobinegehalte bij sporters tussen de 16 en 19 jaar. In dit onderzoek is een groep duursporters en een groep niet duursporters vanaf hun 16de tot hun 19de gevolgd en met elkaar vergeleken. Opvallend is dat er in de hoeveelheid hemoglobine en de toename van het totale hemoglobinegehalte geen verschil zit tussen de duursporters en de niet duursporters. De VO2max is wel op alle leeftijden hoger bij duursporters ten opzichte van niet duursporters maar de toename van de VO2max is in beide groepen gelijk. Omdat de VO2max met dezelfde mate toeneemt bij de niet duursporters zou dit kunnen betekenen dat de toename van de VO2max een bijproduct van de groei en ontwikkeling van jonge mensen is.2

Of je wel of geen prof wordt hangt niet alleen van de VO2max af. Je kunt een hele hoge VO2max hebben maar als je die waarden niet lang kunt volhouden tijdens een inspanning dan heb je er niets aan. Topsporters kunnen een grote hoeveelheid werk aan wat wel een resultaat van training is. Het voorbeeld van Thibaut Pinot hierboven laat zien dat hij in zijn jongere jaren een goede basis heeft opgebouwd waardoor hij op het moment dat hij de overstap naar de profs maakte de grotere omvang makkelijker aankon.1 Daarnaast zijn techniek, tactiek, positionering en vermogen om te lijden ook belangrijke aspecten die trainbaar zijn in jonge renners of rensters.

Kinderen zijn geen miniversie van volwassenen

Jonge sporters kun je dus niet op dezelfde manier belasten als volwassenen. Een goede basis voor later is erg belangrijk. Als trainer zie ik vaak dat jonge wielrenners en wielrensters bij hun club mee moeten doen aan groepsritten. Vaak rijden ze dan met oudere jongens of meiden mee of een ouder die de groep begeleid. Voor iedere renner of renster is de impact van zo’n rit anders, als ze al wat verder in hun ontwikkeling zijn dan rijden ze relatief makkelijk mee terwijl anderen bijna op wedstrijd intensiteit moeten rijden om te kunnen volgen. Door alleen maar hard te trainen bouw je geen goede basis op en schieten de technische en tactische aspecten er ook bij in. Een rustige groepstraining met enkele spelelementen is dus beter dan een groepsrit die eigenlijk op wedstrijdintensiteit wordt gereden.

Om talenten door te laten stromen naar de profs is het belangrijk om meer kinderen bij het fietsen te betrekken, ervoor te zorgen dat ze plezier hebben, ze in de sport te houden en de echte talenten op een natuurlijke manier naar de top te laten stijgen.

De rol van de omgeving op het bereiken van de top

Genen spelen natuurlijk een belangrijke rol in het bereiken van de elite rangen in de sport. Zonder de juiste genen kan de mate van support nog zo goed zijn maar dan is het onwaarschijnlijk dat een wielrenner of wielrenster prof zal worden. Een studie uit Noorwegen laat zien dat de juiste mate van support wel van invloed kan zijn op het wel of niet halen van een profcontract.

Tijdens deze studie werden Noorse wielrenners vanaf hun 18de tot 23ste gevolgd. Op basis van het niveau op hun 23ste werden de renners in groepen verdeeld (World Tour profs en nationaal niveau) en werd er teruggekeken naar bepaalde waarden op hun 18de. Om te kijken of er fysiologische verschillen tussen World Tour renners en niet World Tour renners zaten werden 5 World Tour renners vergeleken met 8 niet World Tour renners. Er werd geen verschil in VO2max, lactaat treshold en VO2max op 300 Watt gevonden tussen beide groepen. Het enige fysiologische verschil tussen beide groepen was dat World Tour renners een hoger maximaal aeroob vermogen (duurvermogen) hadden dan niet World Tour renners.3

Uit de studie bleek wel dat de 9 World Tour renners, op hun 18de, meer competitie uren in de benen hadden dan de clubrenners of gestopte renners. De continentaal renners zaten er tussenin. World Tour renners ~92uur, continentaal ~80 uur, club ~63 uur en gestopte renners ~62 uur. De World Tour renners reden niet alleen meer wedstrijden, ze reden ook langere wedstrijden. Dit betekent dat de renners die uiteindelijk de World Tour hebben gehaald andere wedstrijden reden dan renners die de World tour niet gehaald hebben.3

Het feit dat de renners die later de World Tour bereikt hebben langere wedstrijden reden dan de andere groepen benadrukt de rol van de omgeving. Waarschijnlijk daagden deze renners zichzelf uit door verder naar het buitenland te gaan en tegen hardere internationale concurrentie te racen in plaat van dicht bij huis te blijven en de lokale wedstrijden te rijden. Hierdoor zijn ze waarschijnlijk ook zichtbaarder geweest voor ploegleiders van sterkere internationale teams.

1. Pinot J, Grappe F (2015) A six-year monitoring case study of a top-10 cycling Grand Tour finisher. J Sports Sci 33:907–914

2. Steiner T, Maier T, Wehrlin JP (2019) Effect of Endurance Training on Hemoglobin Mass and V˙O2max in Male Adolescent Athletes: Med Sci Sports Exerc 51:912–919

3. Svendsen IS, Tønnesen E, Tjelta LI, Ørn S (2018) Training, Performance, and Physiological Predictors of a Successful Elite Senior Career in Junior Competitive Road Cyclists. Int J Sports Physiol Perform 13:1287–1292.

Gelezen: 472 keer Laatst aangepast op woensdag 23 oktober 2019 14:14
Vind je dit artikel leuk? Deel het dan met je vrienden!